De eerste keer dat ik in een peloton wielrenners reed, je weet wel zo’n horde voortrazende agressievelingen op een fiets, was ik bang. Ik zal het maar eerlijk zeggen. Hoe sneller je gaat hoe meer je genoodzaakt bent om tegen je voorgangers aan te kruipen. In je eentje kun je 40 per uur halen, in zo’n kudde haal je de 60. Toen ik aldus schuin in de bocht hangend geraakt werd omdat renners dan nóg dichter op elkaar komen en zelfs raken, remde ik van schrik en stuurde rechtdoor. Een enorme valpartij was het gevolg. De hele kudde, althans de jongens die niet gevallen waren kwamen me vertellen wat ze daarvan vonden.
Ik leerde een zeer belangrijke les. Veiligheid dat ben je zelf. Je draagt bij aan de snelheid van de kudde en tegelijk ben je mee verantwoordelijk voor de veiligheid. Degenen achter je zijn voor hun veiligheid net zo afhankelijk van jou als jij van degenen voor je. Je ziet met al die renners voor je immers niets. Dus je maakt geen onverwachte bewegingen, je waarschuwt bij putdeksels en je beweegt mee met de kudde. Je MOET te vertrouwen zijn. Maar dat duurt even. Na verloop van tijd ontwikkelt zich langzamerhand de taal van het peloton of kudde en leer je ook wie te vertrouwen zijn en wie niet. Dat is ook de reden dat in de eerste week van een grote ronde er zoveel valpartijen zijn: niemand vertrouwt elkaar nog.
Wat mij opviel toen ik met mijn dochter van 5 voor het eerst in de manege kwam was de in roze gehulde, ongeruste meisjes, vaak begeleid door nog ongerustere moeders. Zij benaderden ongeruste kudde dieren met grote ongerustheid. Desondanks gingen zij er toch op zitten, zwaar beveiligd met helm en wat dies meer zij. Er ging geen les voorbij of er donderde er wel een van af. Vaak betekende dat het einde van de ruiter carrière. Maar de echten, zei men, die stappen er weer op.
Ik moet bekennen dat mijn dochter en ik tot die categorie behoorden. Ik heb er ik weet niet hoevaak af gelegen. Ik heb op een paard paard gezeten dat me intimideerde maar waarmee ik toch wel even zou bewijzen een sprongetje te kunnen maken. Of Potje met een zweep het water in gedwongen waarna hij er in rengalop weer uit denderde, mij onthutst en nat achterlatend.
Maar dit is lang geleden. Onze paarden worden bij ons vrij gehouden en hebben dus veel eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast trainen we ze dagelijks. Dat samen maakt dat ze minder snel ongerust worden en sneller weer stabiel zijn. En als ze ongerust worden zeggen dat ook van te voren, MAAR dan moet je daar wel naar luisteren. Om die situatie te bereiken heeft ons minimaal anderhalf jaar gekost. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard.
De Eerste Hulp ziet zo’n 6800 ruiters per jaar, waarmee paardrijden ver boven wielrennen staat. Veruit de meesten (ruim 70%) waren jong (-34 jaar) tot zeer jong (-14 jaar). Bijna allemaal door een val van een paard. Mijn stelling is dat je zo ontzettend veel kunt bouwen aan je vaardigheden en vooral je vertrouwen voordat je een helm op zet en erop gaat zitten.
Als statement van mijn vertrouwen in Potje rijd ik, tot grote ergernis van mijn vrouw, altijd zonder helm en op buitenritten met alleen een neckrope. Daarmee rijd ik hem nageeflijk en in verzameling, maar ik kwam een keer een ruiter tegen met stang en trens , slofteugel en zo’n enorme klep aan zijn helm, die er hardop schande van sprak: “Je hebt geen controle over je paard”. Dat klopt maar ik vertrouw hem en hij mij. Jij en je paard kennelijk niet. Toch maar naar buiten met helm en touwhalster tegenwoordig.