Het smalle pad, deel 2 van 4
MEI 24, 2026
Jan Raas stopte van de ene op de andere dag met wielrennen en werd ploegleider. Mijn ploegleider. In mijn én zijn eerste Tour zei hij: “Mannen, ik kan niet meer zelf op de pedalen duwen, dat moeten jullie doen. En onthoud: elke scheet die je laat in de Tour komt in de krant, of we nu winnen, gaten dichtrijden, of ons anderszins onderscheiden, het maakt niet uit hoe, maar laat die scheten. Er is maar één regel: niet mee is op kop.” We wonnen vier etappes dat jaar.
Het jaar erop kocht hij Jean-Paul van Poppel en was zijn toespraak heel anders: “Als van Poppel gaat pissen ga jij ook pissen en voor de rest hoef ik je smoel niet te zien.” Later won van Poppel veel etappes, maar dat jaar was mager.
Bedankt voor het lezen van Maarten’s Substack! Abonneer je gratis om nieuwe posts te ontvangen en mijn werk te steunen.
Ikzelf verkrampte volkomen en reed die Tour niet eens uit. Mijn ploegmaat Gert Jakobs daarentegen reed als een duivel zo hard op kop voor van Poppel. Toen we daarop zeiden: “Gert man, stop met dat op kop sleuren, morgen gaan we jou beschermen tot de finale.” De eerste geloste die dag was Gert Jakobs.
Binnen een jaar was ik weg bij Raas. Jakobs reed nog jaren trouw op kop.
Achteraf weet ik wat er was verdwenen: niet mijn onafhankelijkheid — die was er nooit geweest, niet in een ploeg met Raas. Wat verdwenen was, was mijn instemming. Ik reed niet meer omdat ik ervoor had gekozen. Ik reed omdat ik niet wist hoe ik ermee moest stoppen.

—
Dat is het verschil waar dit essay over gaat.
Onafhankelijkheid gaat over de vraag: wie beslist? Het is een positie. Een organisatorisch gegeven. Je bent onafhankelijk als je je eigen keuzes kunt maken zonder dat iemand anders ze voor je maakt.
Autonomie gaat over iets anders. Het gaat over de vraag: sta ik achter wat ik doe? Het is geen positie maar een toestand. Je kunt volledig autonoom zijn in een situatie waarin iemand anders de kaders bepaalt — zolang je er intern mee instemt. Zolang je het zelf ook zo zou kiezen, ook al beslis jij niet.
Vrijheid, tenslotte, is de afwezigheid van beperking. Geen kader, geen structuur, geen ander die richting geeft. In theorie het meest aantrekkelijk. In de praktijk vaak het minst bruikbaar. Wie de controle loslaat zonder dat er eerst een verbinding was, valt niet vrij. Hij valt.
Drie begrippen. Drie lagen. En de verwarring ertussen is niet onschuldig.
—
Mensen functioneren beter in een taak, volgens Edward Deci en Richard Ryan die hier vijftig jaar aan gewerkt hebben, als aan drie basisbehoeften wordt voldaan: verbinding voelen met de anderen, je competent voelen bij wat er nodig is om te doen, en de autonomie om ervoor te kiezen. Niet onafhankelijkheid. Autonomie.
Autonomie is niet de afwezigheid van een kader. Het is de aanwezigheid van instemming binnen dat kader.
Een renner die zijn ploegleider volgt omdat hij het zelf ook zo ziet — autonoom. Dezelfde renner die precies hetzelfde doet maar omdat hij niet durft te weigeren — niet meer autonoom. Van buiten: identiek gedrag. Van binnen: een ander mens.
—
Wibe Wagemans, met wie ik hier aan werk, maakt het nog scherper. Hij onderscheidt drie lagen: autonomie, onafhankelijkheid, en de wil.
De wil — het wilsmoment — is het punt waarop iemand intern verschuift van *ik moet* naar *ik kies*. Het is niet hetzelfde als wilskracht. Wilskracht is doorzetten tegen de weerstand in. De wil is iets anders: het is het moment waarop je geen weerstand meer voelt omdat je positie helder is. Niet omdat de taak makkelijker is geworden. Maar omdat je weet waar je staat en waarom.
Dat moment is relationeel. Het gebeurt niet in isolatie. Het gebeurt in verhouding tot de situatie, de ander, het kader. Je kunt het niet opleggen. Je kunt het niet afdwingen. Je kunt het alleen mogelijk maken — of onmogelijk.
En hier wordt het lastig.
—
Want als autonomie niet gaat over wie beslist maar over of je instemt, dan is het verlies ervan onzichtbaar.
Bij het verlies van onafhankelijkheid is het duidelijk. Iemand neemt iets van je af. Je bevoegdheden worden ingeperkt. Je mandaat verdwijnt. Je merkt het. Anderen merken het. Er is een moment, een besluit, een verandering.
Bij het verlies van autonomie is er geen moment. Geen besluit. Geen zichtbare verandering. Alles gaat gewoon door. Je functioneert. Je levert. Je klaagt niet. Maar van binnen is er iets losgeraakt. Het meestribbelen, zoals iemand het eerder onder een van mijn posts noemde. Aanwezigheid die verdwijnt terwijl alles aan de buitenkant gewoon doorgaat.
Bij paarden zie je het onmiddellijk. Een paard dat mentaal absent is beweegt correct maar is er niet bij. De spanning zit in het lichaam, niet in de relatie. En je moet steeds opnieuw ingrijpen om het gaande te houden.
Bij mensen kan het jaren duren.
Moetisme noemde ik het eerder — het woord dat ik voor het eerst gebruikte in een Volkskrant-column in 2002, drieëntwintig jaar voordat het een begrip werd in mijn huidige werk. Compliance die van binnenuit erodeert. Stil. Terwijl de cijfers nog kloppen.
—
Johan Bruyneel zei het ooit zonder omwegen over zijn ploeg: mijn renners beslissen niets zelf. Dat doe ik, en daarom zijn wij zo goed.
Dat is geen autonomieverlies. Dat is het afschaffen van onafhankelijkheid. En dat kan werken — tijdelijk, onder druk, in een systeem dat gericht is op één uitkomst. Zolang de mensen in dat systeem er intern mee instemmen.
Maar de vraag is: deden ze dat? Of hadden ze geleerd dat instemming niet gevraagd werd?
Karen Rohlf zei het over paarden, en het geldt voor mensen precies zo: je kunt iemand vragen zich te voegen. Maar je kunt hem niet vragen afwezig te zijn.
Het systeem van Raas werkte. Tot het niet meer werkte. En toen het stopte, was het niet het systeem dat brak — het waren de mensen erin die op waren. Niet door de inspanning. Door het ontbreken van de keuze.
—
Eerlijk gezegd, ik was niet goed genoeg om het systeem te overstijgen, Jan Raas een klap te verkopen en dan de Tour te winnen. Mathieu van der Poel is dat wel. Pogačar ook. Zij pakken de ruimte, laten zich niet vastketenen, en spelen. Wij onthouden de glorie maar vergeten hoe vaak ze hebben verloren op weg daarheen.
Voor de meeste mensen — en de meeste renners — is dat geen optie. Zij hebben het systeem nodig. En het systeem heeft hen nodig. De vraag is alleen: tegen welke prijs?
Ik zit naar de Giro te kijken en hoor de commentatoren hoog opgeven over Vingegaard en zijn ploeg die een ploegentijdrit van 120 kilometer rijden en hem zijn laboratoriumwaarden laat produceren in de laatste vier kilometer. Hij wint zonder dat er een koersverloop is geweest. Zonder renners die hem proberen te kloppen. De reden is eenvoudig: die renners rijden in zijn ploeg, en wie het wel probeert, sleept een potentiële eindwinnaar mee naar de finish. Dus rijden ze hun eigen wedstrijd. Voor de tweede plaats.
Wie kiest daarvoor? De afhakers — Dumoulin, Kittel, ikzelf, de talentrenners die stoppen nog voor hun eerste profjaar — kiezen uiteindelijk voor zichzelf. Dat is autonomie in de zuiverste vorm: het wilsmoment waarop iemand besluit dat dit niet meer zijn keuze is, ook al kan hij het nog. Maar wie haken er af? Degenen met het sterkste gevoel voor eigenwaarde? Of degenen die het minst weerstand kunnen bieden aan een systeem dat selecteert op bereidheid? En hoelang houden ze dat vol?
Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik zelf pas na het stoppen begreep wat er verdwenen was. Niet mijn conditie. Niet mijn positie. Mijn instemming.
—
En dat brengt me terug bij het smalle pad.
Links: het systeem dat voor je beslist. Het oortje, de wattages, de ploegleider die bepaalt. Je kunt er op functioneren. Maar de toestand die nodig is om werkelijk te presteren — de toestand waarin je meer kunt dan je eigenlijk kunt — is er niet bereikbaar. Wie voortdurend beheert, behoudt precies wat hij heeft.
Rechts: de chaos van totale vrijheid. Geen kader, geen richting, geen ander. Dat is ook het pad niet. Vrijheid zonder verbinding is geen autonomie. Het is eenzaamheid met een ander woord.
Het smalle pad ertussenin is de plek waar je je voegt in een kader dat je niet zelf hebt gekozen — en er toch volledig achter staat. Waar instemming en structuur gelijktijdig bestaan. Niet als compromis. Als toestand.
Dat is wat autonomie werkelijk betekent.
En het is wat we het eerst kwijtraken zonder het te merken.
—
*Volgende week: de vrije wil. En of die onder druk nog van jou is.*
Bedankt voor het lezen van Maarten’s Substack! Abonneer je gratis om nieuwe posts te ontvangen en mijn werk te steunen.